Gelezen en goedgekeurd...
Welkom bij Bibliomania, de online specialist in tweedehands boeken
FR  •  NL
Winkelmand
0
Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (Musea Nostra)
Paperback / 128 bladzijden / uitgave 1990
taal (talen) : nederlands
uitgever : Gemeentekrediet
collectie : Musea Nostra
nummer : 18
afmetingen : 279 (h) x 210 (b) x 11 (dk) mm
gewicht : 675 gram
BESCHIKBAAR
zeer goede staat
11,95 EUR
referentie : 1013007
Alle prijzen zijn BTW inbegrepen
De oudste kern van de collectie is gelegen in het Sint-Lucasgilde, waarin sinds 1382 de kunstenaars van Antwerpen zich verenigden. In de schilders- of‘konst’-kamer werden niet alleen vergaderingen en feesten gehouden doch ook de pronkstukken van het gilde werden er bewaard. Onder impuls van David Teniers stichtte men in 1663 in de schoot van het Sint-Lucasgilde een academie. Wanneer in 1773 de gilden ontbonden worden is de Academie voor Schone Kunsten de eigenaar van kunstwerken, die in de kunstkamer verzameld waren: bijvoorbeeld Portret van Abraham Grapheus van Cornelis de Vos, De madonna met de papegaai van P.P. Rubens, drie schilderijen van Jacob Jordaens, en andere werken. Paradoxaal genoeg was de volgende etappe in de ontwikkeling van het museum, de wegvoering van de schilderijen uit de Antwerpse kerken, kloosters en enkele openbare gebouwen naar Frankrijk; dit gebeurde tijdens de Franse bezetting in 1794 en 1796. Volgens een officieel rapport werden alleen reeds te Antwerpen een 70-tal schilderijen gestolen, waaronder een 30-tal befaamde werken van Rubens. Na vele peripetieën werden in 1815 een 40-tal van de gestolen werken teruggeschonken, waarvan 26 schilderijen, afkomstig uit de afgeschafte kerken en kloosters of uit openbare gebouwen, terecht kwamen in het museum van de Academie. Hieronder bevonden zich de Christus op het stro, De Lanssteek, De aanbidding van de Drie Koningen, De ongelovigheid van Thomas en De opvoeding van Maria, alle werken van Rubens. Dit geheel vormt één der zwaartepunten uit de collectie van het Antwerps museum, dat ondertussen samen met de academie in 1810 ondergebracht was in de gebouwen van het afgeschafte klooster der Minderbroeders.

In 1817 vermeldde de catalogus reeds 127 nummers en daartoe behoorde het drieluik van Quinten Metsijs, De Nood Gods, geschilderd in 1510 voor de kathedraal en gelukkig gespaard tijdens de beeldenstorm van 1566. In de eerste járen van zijn bestaan beschikte het museum dus over een beperkte collectie, van evenwel zeer hoge kwaliteit; in hoofdzaak dateerde zij uit de tweede helft van de 16de eeuw en uit de 17de eeuw met als kroon Rubens.

Tijdens het Hollands bewind schonk Willem I, koning der Nederlanden, drie vermeldenswaardige schilderijen aan het museum: in 1823 het fameuze jeugdwerk van Titiaan Paus Alexander VI stelt Jacopo Pesaro voor aan St. Pieter; dit schilderij is het eerste stuk van een buitenlandse kunstenaar in de collecties en eveneens in 1823 Panorama van Valenciennes, een aandenken door David Teniers de Jonge aan de veldslag in 1656 tussen de Spanjaarden en de Fransen. In 1829 gaf Willem I het eerste werk ten geschenke van een nolg levend kunstenaar, Matthijs van Bree, directeur van de academie en van het museum van Antwerpen: De dood van Rubens. Het was ook koning Willem die bij koninklijk besluit van 25 maart 1827 een subsidie van 20.000 gulden toewees voor de aankoop van eigentijdse kunstwerken op de salons van Amsterdam, Antwerpen, Gent en Brussel. Door de omwenteling van 1830 heeft Antwerpen hiervan nooit genoten. Het zal tot 1873 duren vooraleer er werken van nog levende kunstenaars gekocht worden voor de museumcollecties.

Aan de eenzijdige samenstelling van deze collectie kwam in 1840 een einde door het legaat van 141 werken van ridder Florent van Ertborn, oud-burgemeester van Antwerpen. Deze mecenas verzamelde met feilloze smaak i5de-eeuwse schilderijen toen er van bewondering voor de Vlaamse Primitieven nog amper sprake was. Enkele van de door hem geschonken Vlaamse Primitieven maken de roem van het museum uit, H. Barbara en De madonna bij de fontein van Jan van Eyck, Portret van Philips de Croy en De Toeven Sacramenten van Rogier Van der Weyden, Ozz^-Zz'w«-Ftomh; met het kind van Dirk Bouts, en Portret van Jan de Candida van Hans Memling, verder onder meer De vlucht naar Egypte van Joachim Patinir en De H. Magdalena van Quinten Metsijs. Aan deze verzameling voegde hij ook de werken van belangrijke buitenlandse meesters: de Madonna van Jean Fouquet, De Maria Boodschap en De Kruisdood van Christus, het prachtige vierluikje van Simone Martini, Christus aan het kruis van Antonello da Messina en de Caritas van Lucas Cranach maken de wereldfaam uit van de Antwerpse collecties.

In de loop van de 19de eeuw werden aan de collectie van het museum vele ook eigentijdse werken, hoofdzakelijk van nationale betekenis, toegevoegd. Zo werd door toedoen van een koninklijk besluit in 1852 het zogenaamde Academisch Corps geďnstalleerd op 5 september 1853. Het lidmaatschap van het Academisch Corps werd toegekend als eretitel aan kunstenaars ter bekroning van hun loopbaan. Bij toetreding verbond de kunstenaar er zich toe een werk en een zelfportret af te staan aan het ‘Museum van de Academiekers’. Alhoewel de kwaliteit van deze aanwinsten niet altijd bevredigend was betekende het Academisch Corps en zijn collectie toch een eerste stap naar de oprichting van een afzonderlijk ‘modern’ museum. Het duurde tot 1873 eer een echte aankoopcommissie werd geďnstalleerd, die als [...]
gelijkaardige artikelen zoeken per categorie
gelijkaardige artikelen zoeken per onderwerp: