Een provincie is meer dan een administratieve omschrijving, ze is een politieke ruimte. Voorzien van eigen instellingen vormt ze een specifiek kader van het bestuur door de centrale overheid, van een regionale volksvertegenwoordiging en van de dienstverlenende functie, die overheid en vertegenwoordiging in onze maatschappij uitoefenen. Die territoriale afbakening en instellingen zijn de resultante van een lange historische ontwikkeling, waarin sommige -en zeker niet de minst belangrijke - beïnvloedingsfactoren meer dan een tijdsgebonden karakter schijnen te hebben, en bijna als fundamenteel kunnen overkomen. De instellingen en de maatschappelijke krachten, die ze tot stand brachten en inhoud gaven, hebben door hun sociale ordening en dienstverlening op provinciaal vlak een bijzondere bijdrage geleverd tot de totstandkoming van onze hedendaagse politieke, economische, sociale en intellectuele beschaving.
HET TERRITORIALE KADER
Ofschoon de geografische afbakening van de provincie Oost-Vlaanderen over de Hollandse tijd heen teruggaat op het Franse Scheldedepartement, toch berust ze op een lang vooraf bestaande sociale werkelijkheid. Het oude graafschap Vlaanderen verenigde immers twee zeer voorname - nu nog bestaande - economische polen : de kuststreek en het Scheldebekken.
Administratief onderscheidde men reeds in de Oostenrijkse tijd twee entiteiten : het "bedeland" Vlaanderen en West-Vlaanderen of het "Land van Impositie". Dit laatste gebied - Veurne, leper en hun kasselrijen, de roede van Menen, de "generaliteit van de acht parochies", Lo, Diksmuide en hun afhankelijkheden, Waasten en zijn kasselrij, Wervik en Komen ten noorden van de Leie -werd in de 17de eeuw door Lodewijk XIV veroverd. De Franse koning hief er de belastingen zonder tussenkomst van de Staten van Vlaanderen, een statuut dat de Oostenrijkse regering na de teruggave ("Ie pays rétrocédé") in 1713 uiteraard behield. Op 15 oktober 1794 werden beide gebieden afzonderlijke
arrondissementen, in 1795 departementen, waarbij grote delen van de kasselrijen van het Vrije, van Kortrijk en van Oudenaarde met West-Vlaanderen verenigd werden tot het Leiedepartement. Uit het overblijvende - belangrijkste -deel van het graafschap vormde men het Scheldedepartement, waarbij ook Zeeuws-Vlaanderen gevoegd werd op 13 februari 1796.
Het graafschap Vlaanderen zelf gaat terug op een grotere "Vlaamse ruimte", reeds min of meer een eenheid bij zijn ontstaan in de lOde-llde eeuw. De voorhistorische nederzettingen schijnen geconcentreerd geweest te zijn langs de rivieren en riviertjes en langs de zee, dus langs verbindingswegen, embryo van een zekere eenheid. De Romeinse bestuurlijke indeling - de civitates Terwaan, Kassel-Doornik, Atrecht en Bavai-Kamerijk - die stoelde op de oude stammenindeling, bracht hetzelfde gebied onder in dezelfde provincie (Belgica prima). De Kerk nam dan weer goeddeels de Romeinse indeling over en zo vinden we in 346 het latere graafschap verenigd onder één bisschop. De kust en het Scheldebekken werden bij de Germaanse invallen door verschillende stammen in bezit genomen respectievelijk de Saksen en Friezen, en de Salische Franken. Deze laatsten zouden onder Clovis, de koning van één van hun rijkjes (Doornik) heel Gallië veroveren.
HET GRAAFSCHAP VLAANDEREN
(9de - 12de eeuw)
Het gebied van IJzer en Canche en van Leie en Schelde vertoonde in de 7de eeuw een merkwaardige eenheid door eenzelfde dominerend grootgrondbezit. In de 9de en 10de eeuw werd het politiek verenigd onder de graven van één van de vele Karolingische gouwen, de "pagus Flandrensis", een gebied aan de kust, ten Noorden en ten Westen van Brugge. Gebruikmakend van de zwakte van de Franse koning en van de anarchie binnen het vroegere rijk van Karel de Grote (o.a. de Noormannen), veroverden ze het hele gebied tussen Noordzee, Schelde en Canche. Om de zo belangrijke economische ader, de Schelde - grens tussen...

gelijkaardige artikelen zoeken per categorie
gelijkaardige artikelen zoeken per onderwerp: