Het is algemeen bekend dat het overgrote deel van de bevolking, de politici en de verantwoordelijken bij de Duitse inval van mei 1940 een herhaling van 1914-18 verwachtten. Velen hadden immers de eerste wereldoorlog meegemaakt. De 'wreedheid' van de Duitse bezetter uit 1914-1918 leefde voort in de herinnering. Zo ook de deportatie van arbeiders.
Bij de gezagsdragers rezen nog andere vragen: hoe zou de voedselbevoorrading verzekerd worden? België importeerde ongeveer de helft van zijn levensmiddelen, en tijdens de eerste wereldoorlog had de bevolking slechts kunnen overleven door de invoer van voedsel uit de Verenigde Staten en andere neutrale landen. Tijdens de zomer van 1940 stond het vast dat daar geen sprake van zou zijn: de Britten waren niet van zins de blokkade van het vasteland op te heffen. Ging het land dan de hongersnood tegemoet, of zou men op de Duitsers kunnen rekenen? Anderzijds werd gevreesd, dat de Duitse bezetter al heel vlug arbeiders zou opeisen. België telde tijdens de zomer van 1940 meer dan een half miljoen werklozen - 27 % van de beroepsbevolking - en het was bekend dat het nationaal-socialistisch regime geen werkloosheid duldde. Wat te doen om de arbeiders hier te houden? Ook bij de industriëlen leefden herinneringen aan 1914-18, toen de industrie (behalve de steenkoolmijnen) mede door gebrek aan grondstoffen vrijwel stil lag en de Duitsers na verloop van tijd fabrieken ontmantelden en de bedrijfsuitrusting naar Duitsland werd overgebracht. Zou men opnieuw moeten meemaken dat de Duitsers beslag legden op de Belgische industrie? Zou men de industrie opnieuw stil leggen, met als gevolg dat de concurrentiële positie van ons land er erg zou onder lijden, zoals na 1918? Het patronaat herinnerde zich ongetwijfeld ook nog de sociale en politieke eisen waarmee het na 1918 was geconfronteerd geworden. Zou dit ook na deze oorlog het geval zijn en zouden de machthebbers nog meer van hun macht moeten inboeten?
Tijdens de eerste wereldoorlog had het activisme van Vlaamse nationalisten, dat zijn bekroning vond in het uitroepen van de zelfstandigheid van Vlaanderen en een begin van splitsing van de ministeries meebracht, de administratie en de magistratuur voor problemen gesteld. De magistratuur ging in 1918 in staking. Het gevolg was dat de Duitse krijgsraden tijdens de laatste maanden van de bezetting veel en zware straffen uitspraken. Het behoud van de autonomie van de Belgische rechtspraak was dan ook de centrale bekommernis van de Belgische magistraten uit de tweede wereldoorlog. Ook in de administraties ging het erom te vermijden dat die al te veel in handen van collaborateurs zouden vallen.
Om aan al deze problemen toch enigszins het hoofd te bieden werd door vrijwel alle betrokken groepen - industriëlen, vakbonden, werkgeversorganisaties, de secretarissen-generaal, de magistratuur - een pragmatische gedragslijn uitgewerkt, die telkens aan de zich wijzigende omstandigheden werd aangepast. Deze 'politiek van het minste kwaad' was erop gericht het essentiële te vrijwaren: het behoud van de controle over de eigen instellingen, in de mate van het mogelijke. Dat hierbij toegevingen aan de Duitsers zouden moeten gedaan worden viel niet te betwijfelen, maar men wilde proberen op essentiële punten niet te wijken en de toegevingen tot secundaire terreinen te beperken, vandaar de uitdrukking 'politiek van het minste kwaad'. Men was er zich van bewust dat die toegevingen van Belgisch standpunt uit konden afgekeurd worden. Voor de industrie leidde deze politiek zelfs tot een regelrechte overtreding van artikel 115 van het Strafwetboek, dat elke levering van goederen of diensten aan de vijand verbood. Welnu, in juni 1940 ging de [...]

gelijkaardige artikelen zoeken per categorie
gelijkaardige artikelen zoeken per onderwerp: